Teksten van originele auteurs stimuleren de student
PRACTICE WHAT YOU PREACH
CIW EN DIDACTIEK
Zoals bekend zullen wij vandaag nadenken over CIW of beter gezegd de wijze waarop CIW, mocht het nog niet bestaan, idealiter vormgegeven zou moeten worden. Mij is gevraagd om deze vraag te behandelen vanuit didactisch oogpunt. Nu zou ik deze tijd kunnen gebruiken voor het doen van een reeks van aanbevelingen over hoe je als docent het best met studenten kan omgaan, maar ik zou eerlijk gezegd niet weten op welke basis ik deze uitspraken zou kunnen doen. Ik ben immers geen didacticus en zeker in vergelijking tot andere docenten geef ik ook niet lang genoeg les om op die wijze enige autoriteit te hebben. Daarnaast is didactiek in het hoger onderwijs op dit moment zo’n belangrijk thema, dat ik als buitenstaander niet zomaar kan roepen dat meer contacturen beter gaan werken of dat het belangrijk is dat een student meer verantwoordelijkheid wordt gegeven.
Ik wil mijn ideeën over CIW daarom ophangen aan het enigszins polemische debat over ‘het nieuwe leren’. Ik weet niet of u alleen bekend bent met het nieuwe leren –de opvolger van het studiehuis- maar dat komt er in het kort op neer dat de docent steeds minder voor de klas staat en in de plaats daarvan meer als begeleider optreed van studenten of leerlingen die dus veel zelfstandiger worden geacht te studeren.
Vooral vanuit academische kringen wordt op deze nieuwe manier van lesgeven zeer sceptisch gereageerd, in de eerste plaats, zo lijkt het, omdat de rol van de docent als autoriteit met deze methode in het geding lijkt te komen. En is het niet de hoeksteen van de universiteit dat de docenten die hier aangesteld worden juist als autoriteit op hun vakgebied moeten gelden?! Het lijkt zonde van de intellectuele capaciteiten van de docent te zijn, wanneer hem vervolgens alleen maar wordt gevraagd om studenten te coachen.
Maar deze wat sceptische houding, uitgedragen door mensen als Ad Verbrugge en Thomas Von der Dunk, doet geen recht aan waar het nieuwe leren echt om draait. De door Verbrugge voorgestelde terugkeer naar kennisoverdracht zal in onderwijsminnend Nederland in ieder geval weinig potten doen breken. Terecht merkte Lizzy Tabbers in de Volkskrant op dat deze ‘oplossing’ mooi in lijn ligt met de onderwijsgedachten van de SGP, ofwel dusdanig reactionair van toon is, dat het eigenlijk niet serieus te nemen is anno 2007.
Wat de tegenstanders van het nieuwe leren binnen de wetenschap (en daar voeg ik voor het gemak ook maar even Frits van Oostrum’s roep om de vaststelling van een canon bij) lijken te vergeten of niet in willen zien, is wat het werkelijk vernieuwende karakter van het nieuwe leren, niet de positie van de docent is maar die van de student. En dat deze ideeën niet uit de lucht komen vallen maar voortvloeien uit overtuigende theorievorming over de rol van de ontvanger in het onderwijsproces. Theorievorming die vooral heeft plaatsgevonden binnen communicatietheoretisch onderzoek.
Wat het nieuwe leren namelijk in praktijk brengt is iets wat wij als docenten en als studenten al een tijdje weten, namelijk, dat het aloude communicatiemodel van Shannon en Weaver (uit 1949), ook wel bekend als de injectienaald methode of het buizenpostmodel, op zijn minst enige verfijning gebruikt. Zowel vanuit cultural studies als vanuit de taalwetenschap wordt vandaag de dag vooral de positie van de ontvanger op heel andere wijze gedacht. De ontvanger, zo stelt het gros van de wetenschappers vandaag, is niet zo passief als Shannon en Weaver graag geloven. Integendeel; de ontvanger, op welke gronden dan ook, is bijzonder actief in het interpreteren en misschien zelfs produceren van een boodschap.
Het nieuwe leren zegt niet meer dan dit; het zegt dat de student, de ontvanger, een agency is, en dat hij dus leert volgens zijn verleden en de wijze waarop hij in de wereld staat, volgens de taalstructuren die hij gebruikt om een boodschap te decoderen. Weinig verrassend denk ik, voor de mensen hier aanwezig.
De consequenties voor het onderwijsprogramma en voor de te hanteren didactiek zijn daarentegen wel verstrekkend. Want als wij –parallel aan hoe wij vinden dat de media werkt – stellen dat wat de studenten hier leren niet door ons als docenten bepaald kan worden, maar dat de ontwikkeling van de student uiteindelijk door de wijze waarop de student zelf in het leven staat wordt gevormd, dan kunnen we grote vraagtekens zetten bij de ingangseisen die wij voor iedere cursus opstellen, bij de rode draad die wij door onze cursussen heen laten lopen en zelfs bij de programma’s die wij zo nauwkeurig mogelijk ontwerpen; aangezien het dus niet aan ons is om dit soort logica in de stof te ontwaren, maar de student zelf vanuit een veelheid aan theorieën een structuur moet gaan ontdekken. Het zou betekenen dat we al dit soort kunstmatige barrières, waarvan er overigens ongelofelijk veel zijn binnen dit bachelorsprogamma, eindelijk eens vaarwel kunnen zeggen. De ene cursus bouwt niet voort op de vorige en bereid niet voor op de volgende, maar vertelt gewoon zijn eigen verhaal. Dat betekent niet dat argumenten niet terug mogen komen in opvolgende cursussen, natuurlijk is dat wel de bedoeling, maar het is aan de student om dat te ontdekken.
Wat betreft de didactiek, de wijze waarop de student en de docent zich tot elkaar verhouden en wat de specifieke rol van de docent binnen een cursus is, zijn de gevolgen nog veel verstrekkender. Als we namelijk echt denken vanuit de actieve ontvanger –wat overigens helemaal niet zo gek ver verwijderd is van het zogenaamde vraaggestuurde onderwijs wat de Universiteit Utrecht aanhangt, alleen denk ik dat dit voorstel nog een flinke stap verder gaat – zal wat er binnen de collegezaal gebeurt drastisch veranderen. Maar dat betekent niet dat de rol van de docent wordt gedecimeerd tot die van aangever, zoals dat in het nieuwe leren lijkt te gebeuren. Want in tegenstelling tot wat het nieuwe leren lijkt voor te staan, is een docent die een autoriteit is op zijn vakgebied en die met kennis van zake kan vertellen over de meest recente ontwikkelingen daarbinnen, noodzakelijk voor de ontwikkeling van studenten. Alleen moet deze docent zijn taak niet in de eerste plaats zien als gericht op kennisoverdracht, maar veel meer als een wijze tot inspireren. De docent moet als autoriteit kunnen laten zien op welke manier een belangrijke tekst gelezen kan worden, maar hiermee juist geen kennis overdragen of gedachten ordenen. Integendeel, hij moet juist een manier van denken openbreken en zodoende studenten aanzetten om verder te gaan, om te experimenteren.
Het is daarbij van het grootste belang dat dicht bij de originele teksten gebleven wordt; want net als dat beginnend kunstenaars zich laten inspireren door de werken van Vermeer, Velasques of Bacon, moeten beginnend CIW studenten zich ook kunnen laven aan wat grote geesten al voor hen hebben bewerkstelligd. Niet met als doel dat zij de rijkheid en de veelvormigheid van hun discipline te ontdekken en begrijpen welke vragen Pierce en Gademer, Metz en Jakobson stellen en welke manieren van denken zij ontwikkelden. Als je ze uitgebreid bespreekt en niet terloops noemt wanneer je iemand anders bespreekt die je na aan het hart ligt. Want als het nieuwe leren ons in ieder geval iets heeft opgeleverd, dan is het dat die (onmogelijke) drang naar volledigheid – van het uit je hoofd leren van jaartallen tot het kunnen opdreunen van namen van schrijvers waar je als leerling nooit iets van had gelezen – goddank verlaten is.
Tot slot wil ik vooral met betrekking tot de nieuwe didactiek die ik voorstel samenvatten wat hiervan de voordelen zijn voor de student en de docent. Voor de student is het vooral van belang dat we mogelijkheden creëren om te excelleren, en dat is uiteraard waar inspiratie allemaal om draait. Met de afschaffing van de onderwijsprogramma’s als zojuist voorgesteld, zijn de kunstmatige opgeworpen barricades tussen de verschillende cursussen in de studie al weggenomen. Een student wordt dus niet meer beloond voor het feit dat hij de juiste voorkennis heeft voor een bepaalde cursus. Hij wordt beoordeeld op zijn inzet. Ook voor de honourscourses die de universiteit en wellicht ook deze opleiding wil doorvoeren, stel ik dan ook voor om geen ingangseisen te formuleren. Biedt het maar gewoon aan. De studenten met inzet, volbrengen het wel. Maar we kunnen verder gaan. Als we ons minder op kennisoverdracht richten en meer op zoek gaan naar hoe we studenten kunnen inspireren, kunnen we ook seminars organiseren die lange tijd doorlopen en waarvoor de studenten ook zelf belangrijke teksten mogen aandragen.
Mijn grootste kritiek op het nieuwe leren is de beperkte rol van de docent die het voorstaat. Ik ben het daar niet me eens. Maar ik denk dat de docent, misschien nog wel meer dan in de systemen hiervoor, een centrale positie kan krijgen binnen deze vorm van onderwijs. Omdat ze nu eindelijk eens mogen spreken over dat wat hen echt raakt, omdat ze zich niet meer in allerlei bochten hoeven te wringen om zich te houden aan het programma en omdat ze nu eindelijk eens geconfronteerd worden met studenten die echt gemotiveerd zijn. Het vraagt om juist docenten die onderwijs zien als een laboratorium, waarin je je bezighoudt met wat je aan het onderzoeken bent, niet met wat je weet. Het mes snijdt zodoende aan twee kanten; niet alleen voelt de student zich op die manier veel meer betrokken bij de echte interesses van de docenten en docenten uiteindelijk veel meer gevoel gaan krijgen voor wat de studenten drijft (die dit nu ook veel meer uitspreken).
Ik durf de stelling aan dat door die grotere betrokkenheid, door het experimentele karakter van de opleiding, niet alleen het niveau van het onderwijs maar ook dat van het onderzoek zal stijgen.



3 comments
{13.12.07 om 12:13}
Hoe kun je wie dan ook opleiden tot een wetenschapper wanneer je deze persoon alleen maar de inleiding aanbiedt tot een onderwerp? Een wetenschapper moet zelf kritisch zijn, lezen en onderzoeken, zelfstandig werken en teksten op verschillende manieren lezen. Volgens mij is het daarvoor noodzakelijk om oorspronkelijke teksten te bestuderen.
Hiermee bedoel ik niet dat inleidende cursussen, teksten en handboeken nutteloos zijn. Zij vormen juist een praktische context voor de oorspronkelijke teksten en zijn dus onmisbaar. Maar ik heb de neiging om dan te denken: Als je inleiding hoger waardeert dan specialiteit en verdieping, ben je hier misschien niet op de juiste plek. Daarnaast loop je dan, volgens mij, het risico dat je alleen maar weet wat andere mensen of andere mensen hebben gezegd.
Naar mijn idee stimuleren oorspronkelijke teksten je veel meer om echt na te denken over een onderwerp. Het uitpluizen van argumentatie maakt je kritisch en veel meer capabel tot zelfstandig onderzoek.
Maar goed, hoe je het evenwicht tussen brede inleiding en verdieping moet vinden…
{13.12.07 om 12:13}
An, wat mij betreft heb je gelijk en zijn originele teksten inderdaad belangrijk om een goed wetenschapper te worden. Maar ook hier geldt dat studenten en eerstejaars die totaal geen verstand hebben van de materie je wel met een probleem opzadelt.
Daarom misschien een combinatie van beiden: eerst de begeleidende/inleidende tekst en dan pas de originele literatuur.
Waarschijnlijk zouden we het met vallen en opstaan wel leren maar daarvoor is deze opleiding gewoon te kort en te complex. Handvaten zijn belangrijk, ook voor het vertrouwen van de student!
{13.12.07 om 12:13}
ja, ik ben er dan ook voor om een theoretisch canon op te stellen van wat een CIW-student zou moeten kennen, centrale theorieen uit de richtingen waarvan je de auteurs ook echt een beetje kent en hebt gelezen…
(ik doe nog geen suggesties maar het begint met een H en eindigt op abermas)
Reageer hier