Bekijk afdrukweergave

Tutorspecial #2: De koffie-tutorBerteke Waaldijk

Voor welk probleem vormt het tutoraat eigenlijk een oplossing? De voorbeelden die genoemd worden zijn mooi genoeg: begeleiding bij nieuwe manier van studeren voor beginnende studenten, een goed gesprek over voor- en nadelen van studie in het buitenland, klankbord bij het kiezen van programmaonderdelen of voor een vervolgopleiding.

Toch knaagt er iets aan me als ik deze taken opschrijf – want als dit de taak van de tutor is, wat is dan de taak van de docent? Is de kloof tussen eerstejaars en hun docenten zo groot dat zij samen geen gesprek over zin van studie in het buitenland kunnen voeren? Is het onderwijs zo ingericht dat academische vaardigheden buiten het onderwijsprogramma om moeten worden verworven?

Heeft de gemiddelde docent geen tijd om een student die moeite heeft met schrijven naar een cursus van het IVLOS te verwijzen? Is het echt zo dat een docent niet bereid is om een student die een cursus superinteressant vindt te adviseren waar hij of zij meer en dieper van het zelfde kan halen?

Als dat zo is, dan hebben we een probleem. Want het zijn juist deze gesprekken waarbij een docent leert hoe haar of zijn vakgebied leeft (of een zachte dood aan het sterven is) bij studenten. Het zijn deze vragen die je als docent bewust maken van de achtergrond van nieuwkomers in de wetenschap. Praten met studenten over stages leert je iets over de perceptie van maatschappelijke relevantie van je vakgebied. Wanneer die gesprekken door tutoren gevoerd worden, verdwijnen ze uit de collegezaal, ze verdwijnen uit de koffiepauze en ze komen niet aan de orde bij de bespreking van papers en presentaties. Kortom dan verwijnt het gevoel dat docenten en studenten samen verantwoordelijk zijn voor goed onderwijs.

Ben ik dan tegen tutoren? Helemaal niet. Voor opleidingen waar studenten colleges volgen bij verschillende afdelingen (TCS, LAS en CIW!) is er behoefte aan een aanspreekpunt over vakoverstijgende vragen. Wanneer een opleiding van studenten eist dat zij binnen een jaar opgeteld 37,5 ECTS behalen, dan is het nodig dat de student met iemand kan praten over de optelsom van de verschillende onderdelen. Maar wanneer deze studiebegeleiding in de plaats komt van het gesprek in de koffiepauze, dan gaat er iets mis.

Daarom is mijn devies ‘niet één maar twee tutoren’: één voor het overzicht en de optelsommen, en één voor bij de koffie in de pauze van elke cursus.

Dat betekent dus dat werkgroepen zo klein zijn dat die gesprekken mogelijk zijn. Het betekent dat studenten de koffiepauze moeten gebruiken, dat zij vragen stellen aan hun docenten, of het nu vakidioten van middelbare leeftijd zijn, of jonge student-assistenten die net begonnen zijn in de wetenschap. Het betekent ook dat docenten die tijd moeten hebben om praatjes bij de koffie te maken. En soms betekent het een keuze voor iets minder vakinhoud tijdens het college en iets meer tijd voor die gesprekken. Op den duur vaart ook de vakinhoud daar wel bij.

Dit artikel is afkomstig uit Alalos, het kwartaalblad voor studenten Taal- en Cultuurstudies

Gerelateerde artikelen

  • Werk vinden en een quarterlife crisis
  • Tutorspecial #1: het TCS-tutoraat
  • So.. What’s Cooking?
  • Het leed dat CIW heet
  • Het ePortfolio: waarom wachten?
  • 0 comments

    De discussie is nog niet losgebarsten...

    Start de discussie door het formulier in te vullen.

    Reageer hier